Hoe richt je de plantplaats in? - Praktijk Centrum Bomen

Blog

Hoe richt je de plantplaats in?

In ons vorige blog vertelden wij over de aanplant van bomen. Hierbij is de inrichting van de plantplaats van groot belang voor de boomaanplant. In dit blog hebben we het over het graven van het plantgat en de inrichting van de directe omgeving van het plantgat. Dan hebben we het over het aanbrengen van een beluchtingssysteem, voorzieningen voor het watergeven, boompalen en boomband.

Het plantgat

Een plantgat graven lijkt een eenvoudige klus. Niets is minder waar en is het belangrijk zorgvuldig te werk te gaan om onnodige uitval van bomen tegen te gaan. Bij het graven van een plantgat moet je rekening houden met onderstaande punten.
Let op: voordat het gat gegraven kan worden, controleer eerst of er kabels en leidingen aanwezig zijn.

  • Natte grond is gevoelig voor structuurbederf, graaf daarom het plantgat onder droge omstandigheden.
  • Wanneer je machinaal een plantgat graaft, steek de randen dan niet recht en glad af. Bij klei-of leemhoudende grond bestaat het gevaar op dichtsmeren van de randen. Dit werkt storend op de wortelontwikkeling en kan worden opgeheven door de randen los te steken.
  • Spit ook de onderkant van het plantgat door. Dit is bevorderlijk voor de ontwikkeling van de wortels en de capillaire opstijging van het grondwater. Menging van ingebrachte grond met de onderliggende grond zorgt voor een geleidelijke overgang.
  • Wanneer er storende lagen en scherpe profielovergangen in het plantgat zijn, is het zaak deze op te heffen. Dit kan vaak door het doorsteken van het plantgat. In een aantal gevallen is uitwisseling van de grond onder het plantgat beter.
  • Bij gronduitwisseling kan er geen grond met vers organisch materiaal ingebracht worden. De afbraak van het organisch materiaal kan zuurstofgebrek tot gevolg hebben en zelfs leiden tot de vorming van moerasgas.
  • Om nazakking te voorkomen, moet de doorgespitte of uitgewisselde laag stevig worden aangedrukt. Dit kan met behulp van de bak van een kraan of trilplaat.
  • Het plantgat moet zo groot zijn dat de wortels van de boom er goed in uitgespreid kunnen worden.

Beluchting

Als de grond in het plantgat is vermengd met ongerijpt organisch materiaal, zoals compost, koemest, of bladaarde, kan tijdens enkele maanden de omzetting versneld zijn. Dit vraagt zuurstof van de omgeving. Wanneer dit onder in het plantgat plaatsvindt heeft dat een verlaging van het zuurstofpercentage tot gevolg, dat kan leiden tot wortelsterfte.
Om dit proces tegen te gaan, wordt de plantplaats vaak voorzien van een drain. Deze wordt aangebracht langs de buitenrand onderin het plantgat en bevorderd de uitwisseling van bodemlucht rond de wortelkluit. Deze drains zijn tijdelijk nodig en hoeven daarom niet onderhouden te worden.
Wanneer de groeiplaats in gesloten verharding is gesitueerd, is de aanleg van een langer werkend beluchtingssysteem vaak noodzakelijk.

Watergebrek tegengaan

Er staat een relatief klein grondvolume in contact met de wortels bij een pas geplante boom. Hierdoor heeft de boom snel last van watergebrek bij droogte. De eerste jaren na de aanplant is het meestal nodig de boom extra water te geven. Er kunnen verschillende voorzieningen getroffen worden om dit goed en eenvoudig te doen.

  • Bij de aanplant kan een walletje rondom het plantgat worden aangebracht. Hierbinnen kan water gegeven worden, dat langzaam infiltreert. Nadeel hiervan is dat het eenvoudig beschadigd kan worden en veel tijd verloren gaat bij het herstellen van het walletje.
  • Een kunststof ring kan rondom de kluit in de grond worden gedrukt. Binnen de ring kan water worden gegeven. Wanneer de boom goed is aangeslagen, kan de ring worden verwijderd en hergebruikt.
  • Een watergeefdrain kan boven de wortels worden aangebracht om de grond rond de wortels te bevochtigen. Voor kluitbomen is deze methode niet optimaal omdat de drain rond de bovenste helft van de kluit wordt gelegd ter voorkoming dat de boom te diep geplant wordt. Hierdoor is het bevochtigen van de kluit beperkt.

Boompaal

Na de aanplant staat de boom los in de grond, de grond moet zicht nog zetten en de wortels moten nog in de omringende grond groeien. Dat is de reden dat de boom na de aanplant wordt vastgezet met boompalen.

Het aantal palen

Het aantal boompalen is ten eerste bepaald door de plantmaat. Bij plantmaten tot 10-12 is één boompaal gewoonlijk voldoende. Hierdoor kan de boom wel in de richting van de paal gedrukt worden en beschadigen. Dit is te ondervangen door een boomband met aanschuifmof te gebruiken, of de boomband in een 8-vorm te bevestigen.
Bij grotere boommaten dan 10-12 worden twee boompalen gebruikt, of als er kans op vandalisme is en op plaatsen met veel wind. Met twee boompalen staat de boom voldoende vast met voldoende zijwaartse beweging. Deze beweging heeft een positieve invloed op de wortelontwikkeling. Met drie boompalen staat de boom zo vast, dat er geen beweging meer mogelijk is. Daarom is het gebruik van drie boompalen niet wenselijk.

Paallengte

Er worden zowel korte als lange palen in de praktijk gebruikt. In alle gevallen moet een boompaal 20 centimeter in de vaste bodem komen te staan. Zowel lange als korte boompalen hebben beide voor- en nadelen.
Korte boompalen geven de boom een grotere bewegingsvrijheid en leiden tot een sterkere stimulans voor de vorming van trekwortels. Daarnaast wordt de diktegroei van de stam over een grotere lengte gestimuleerd door de lage aanbindplaats. Nadeel van de korte boompalen is de grotere hefboomwerking, waardoor de boombanden sneller kunnen breken. Bij zwaardere bomen zijn korte palen ongeschikt, door de zware kronen gaan de bomen eerder scheef hangen. Zware bomen worden vaak niet door boompalen overeind gehouden, maar door een ondergrondse verankering van de kluit.

Plaatsing van de boompaal

Voordat de boom in het plantgat wordt gezet, kunnen de palen het beste al geplaatst zijn. Dit voorkomt beschadiging aan het wortelgestel bij het inslaan naderhand. Het gat voor de paal moet niet geboord zijn om draaien en losstaan te voorkomen. Ook wijzen de palen licht naar buiten en worden met het plaatsen van de boomband rechtop getrokken.

Boomband

De boomband die voor het aanbinden van de boom wordt gebruikt, kent verschillende materialen die wat bruikbaarheid betreft niet veel verschillen. Houd voor het aanbrengen het volgende in acht:

  • Plaats de boomband niet lager dan 5 centimeter onder de kop van de paal. Dit beperkt het risico dat de paalkop tegen de stam schuurt.
  • Voorkom schade aan de stam door de boomband in een 8-vorm te plaatsen.
  • Gebruik bij voorkeur zachte, enigszins elastische materialen.
  • Bind de boom niet te los, maar ook niet te vast aan. Wanneer het te los is, gaat het schuren. Als het te strak is aangebonden, kan dat leiden tot insnoering en wurging van de stam.

Wil je meer weten over boomverzorging? Dan zijn onze trainingen en opleidingen tot boomverzorger vast iets voor jou. Bekijk ons ruime aanbod op de website of neem contact met ons op.

Schrijf een reactie op dit bericht